Anatomie van het konijn

 

Konijnen zijn prooidieren, ze moeten te allen tijde kunnen vluchten voor gevaar: daarom zijn de botten licht, en de spieren goed ontwikkeld. Vooral de bespiering van de achterpoten is enorm sterk. Houd hiermee altijd rekening bij het optillen: goed ondersteunen, want als een konijn schrikt, kan het zó hard met de achterpoten trappen, dat het zijn eigen rug breekt.

Wat verder opvalt aan de anatomie van konijnen is het enorme spijsverteringsstelsel: konijnen zijn herbivoren, en aangezien grassen en planten slecht verteerbaar zijn, hebben ze voor de vertering hulp nodig van grote aantallen bacteriën in de (dikke) darm. En zelfs dan is de vertering nog niet in één ronde volledig: een konijn produceert naast de normale harde keutels ook zachte ontlasting, vol met bacteriën en voedingsstoffen, die ze weer opeten (coprofagie).

Het hart en de longen daarentegen zijn relatief klein ten opzichte van de lichaamsgrootte. Een konijn kan dus wel hard rennen, maar houdt dat niet lang vol. En aangezien de longen zo klein zijn, kunnen luchtwegproblemen snel overgaan in ernstige benauwdheid. Niet afwachten dus, bij hoesten of snotteren altijd ingrijpen!